Volgers

Powered By Blogger

zondag 1 mei 2011

Wat zou er aan het einde van de horizon liggen? Dat is de vraag die mij al als kind bezig hield. Ik was als ik even vrij was van trainen dan ook bijna altijd te vinden bij de zee. Ik tuurde dan zover ik kon. Hopend dat ik een glimp op kon vangen van het verre land aan het einde van de zee. Nu vind ik mezelf te ver uit de kust om nog zilvermeeuwen te kunnen ontdekken. Nu zweven er enkel grote witte zeevogels door de lucht heen, waarvan ik de naam niet ken. 's nachts leken deze vogels net schimmen van lang overledenen. Stil en sierlijk gleden ze langs onze ligt deinende boot heen. Af en toe doken ze de donkere zee in en verdwenen geheel onder het rimpelige wateroppervlak. Een zachte wind dreef onze boot voort, naar het steeds lichter wordende einde van de zee. De donkere vlek aan het einde werd steeds groter en begon vorm aan te nemen. Een land van ontelbare mogelijkheden lag voor de boeg. Waar een krijger een koning kon worden en alles in overvloed was. Ik tuurde en tuurde tot ik de eerste schepen in de haven kon onderscheiden. Het waren lage lange schepen, zoals wij ze bouwden. De bemanning werd gewekt en al snel stond ik te midden van een rij ongeschoren mannen, die langs de reling van de boot stonden. Ze wezen naar het land voor ons en riepen verheugt naar elkaar. Ik kon alleen maar glimlachen. Er stonden mooie dingen in het verschiet. Na een paar weken gevaren te hebben hadden we ons doel bijna bereikt. De bootsman riep zijn bevelen uit. De zeilen werden snel binnengehaald en de houten riemen werden bezet. We voeren na een tijdje langzaam de haven in. Ik zag hoe de andere schepen werden uitgeladen. Deze waren groter dan het schip waar wij krijgers in zaten. Paarden en wagens kwamen eruit. Grote rieten manden met voedsel en gebruiksvoorwerpen, wapens. We kregen een plaats en de trossen werden aan de meerpalen vastgeknoopt. De mannen pakten hun weinige spullen en wachten op hun teken om van boord te mogen gaan. Ik ging benedendeks en pakte mijn jutten zak in. Ik trok een schoon hemd aan en uit mijn deken haalde ik het zwaard dat ik voor deze reis had gekregen. Ik bekeek het even en gespte het om mijn middel vast. Het hout achter mij kraakte en ik draaide mij snel om. Ik zag een lange man met een helm op voor mij staan. Ik maakte een buiging en keek naar zijn blauw grijze ogen. De lange man zette zijn helm af en donker haar kwam eronder vandaan. Ik realiseerde mij dat deze man niet veel ouder was dan ik zelf was. Ook hij maakte nu een buiging en keek mij strak aan. Ik heet Thalion zoon van Aurelion van Múrne. Ik heb de leiding over de mannen uit Sidel. Ik maakte nog een korte buiging en legde mijn hand op het hart, zoals gebruikelijk was. Wat is jouw naam soldaat? Mijn naam is Airden heer. Thalion glimlachte. Ik heb over jou gehoord Airden, zei Thalion terwijl hij naar mijn zwaard keek. je schijnt een talent te zijn. Ik knikte enkel. In welk regiment zit jij Airden? Ik kom uit het regiment van het noorden. Het regiment van Telgar? vroeg Thalion. Ik knikte weer. We zullen binnenkort eens oefenen Airden. Gegroet. Thalion draaide zich om en liep richting de opslag plaatsen. in. ik boog weer, vereerd door zijn verzoek. Ik had gehoord dat Thalion een van de beste krijgers onder ons was. Ik wou mij graag meten met deze man.